59 jaar geleden

Het was de eerste zomerse dag van het jaar. We schrijven 10 mei. 1953 lag nu exact 59 jaar achter ons. Na weken en maanden van maartse buien en aprilse grillen, trotseerden mijn goede vriend Michiel en ik de natuurelementen. Het is niet eenvoudig om te wennen aan plotse hitte. We zaten op het terras van een volks café in een klein dorpje waar nooit iets gebeurt en iedereen iedereen kent. In de schaduw van de kerktoren dronken we trappist. Dat was ons motto geweest begin dit jaar: minder drinken, maar beter. We moesten ons tevreden stellen met een bruine Westmalle, de enige trappist die te krijgen was in café ’t Damberd. Waardin Jacqueline verzorgde ons goed, we waren gekende en graag geziene gasten. Zij was onze verzekeraar tegen de dorst. Wij stelden haar zorgen op prijs.

Ik kon het goed vinden met Michiel. Hij was een kerel van de wereld die hield van reizen en goeie wijn. Telkens keerde hij terug van de rest van de aardbol met verhalen waar ik urenlang kon naar luisteren. Zelf verliet ik het dorp quasi nooit. Dat was ook niet nodig, ik had alles wat ik nodig had hier: een bakker, een beenhouwer en dit café bij de kerktoren. Er was veel veranderd in de jaren die ik hier sleet, het sluiten van de papierfabriek had de mensen geen goed gedaan. Enkel Jacqueline werd er vrolijk van: meer volk, dus ook meer ‘teire’ zoals ze het mooi noemde. De verhalen van de werklozen die hun tijd hier kwamen verdoen, was ik al lang beu gehoord. Michiel niet en praatte honderduit mee met de mensen die hij eigenlijk niet kende. Dat kon je hem wel toegeven: hij was altijd vriendelijk tegen vreemden. Goed opgevoed, denk ik.

Terwijl de uren verstreken, veranderden de onderwerpen. We praatten over zijn reizen, mijn vroegtijdig mislukte carrière als schrijver en over de ‘koers’. We hadden respect voor de echte flandriens en vonden dat niet meer dan normaal. Zelf kwamen we altijd met de fiets tot bij Jacqueline. Zij verzekerde onze dorst, wijzelf onze veilige thuiskomst. Toen de tijd gekomen was om te vertrekken, zadelden we ons ijzeren ros en keerden we samen huiswaarts. Langzaam maar zeker fietsten we langs de enige grote weg die het dorp rijk was en werden we ingehaald door een renner die ons met een rotvaart voorbij fietste. Hij reed op een Bianchi Mega Pro XL, bouwjaar 1998. We hadden een kennersoog, Michiel en ik. De souplesse waarmee hij zijn fiets beroerde, toonde dat hij al menig kilometer in de benen had en ervaren het levenslied der fiets zou kunnen zingen. Een grote bos grijze haren was in zijn helm geduwd en leken op manen van oude leeuw. Het was een vreemd zicht al te gaar.

– “He, was dat dinge niet?” vroeg Michiel me.
– “Bedoel je, dinge. Allez, hoe noemt die nu? Je bedoelt toch die met zijn liedjes, die zich soms als vrouw verkleed?”
– “Ja, inderdaad, die!” zei Michiel enhousiast.
– “Ik denk het niet, Michiel.”

We reden samen verder. Ik zag Michiel nog denken aan de renner die ons net passeerde en stelde hem gerust. Een man als hem ontmoet je niet elke dag. Hij gaf me gelijk en alles was weer pijs en vree.

 

[met dank aan @chimiel voor het onderwerp]

Radertjes

image

Het wordt weer een nacht zoals alle andere. Een nacht zoals die van gisteren op die van de dag daarvoor en die van morgen op vandaag lijken zal. Ik zou een boek willen lezen maar weet dat ik dan in een slaap val die ik nooit zal kunnen vatten. Ik zou willen slapen maar weet dat de radertjes mij van de nachtrust weg zullen houden. Ze draaien op volle toeren in een overdovende stilte die mijn vriendin niet kan deren maar mij woelend de nacht inbrengt. Ik krijg het gezelschap van mijn kat die weet dat de nacht voor de dromers is. Dromen zal er vandaag niet inzitten. Enkel wachten op het krieken van de dag en weten dat de nacht die zo lang leek eigenlijk veel te kort was.
Ik kruip maar in bed met mijn ogen dicht. Slapen doe ik morgen wel.

Weinig rock, veel broll

Ik was dit weekend in een night club. Dat is een mini-discotheek met de grootte van een uit de kluiten gewassen café, maar toch kleiner dan een echte discotheek. Ook hangen er discobollen in alle maten en lichtinstallaties waar je als net geen epilepsie-aanval van zou krijgen. De vloer kleeft er een beetje van gespilde alcopops van de voorbije nacht en ik ben er zeker van dat als je deze plek zou zien op klaarlichte dag, je gedegouteerd zou worden van de hoopjes plakkerig vuil die je in de hoeken zou vinden.

Het was mijn tweede night club ooit, vertelde Foursquare mij. De eerste night club was een restaurant dat abbusievelijk verkeerd werd geklasseerd op het sociale netwerk. Lekker gegeten die keer. Piepkuiken, mals zoals het hoort. Een tweede eerste keer zou iedereen op prijs moeten kunnen stellen en toch was ik er niet gerust in. Ik bestelde geen pils want dat zag je al van verre aankomen: de garçons met hun rood flikkerlampje aan hun bretellen hadden duidelijk de kunst van het tappen niet onder de knie. Rodenbach dan maar, uit de fles, om zo al een foutenmarge uit te schakelen. Het bier werd mij gepresenteerd in een proper glas, zonder schuimkraag. Je kan niet alles hebben.

Night clubs zijn plaatsen waar je niet komt om te praten. Ik had mijn oordopjes ingebracht om zeker te zijn dat ik geen hoorschade opliep door het eindeloos gedreun van verkrachte commerciële deuntjes. Weinig rock, veel broll. Ik bestelde nog een Rodenbach. Proper glas, geen kraag. Constantes.

De DJ van dienst werkte op een mac. Het lichtgevende appeltje van zijn laptop was een fashion statement. Duwen op play en hopen dat de meute je voorgekauwde quatsch lust. Zo zag hij er wel uit en zo zag de meute er ook uit. Geile blikken op zoek naar een vrouwelijke kont om tegen aan te schuren, V-nekken tot aan de navel, geschoren borst en veel te veel gel in hun haar. En oorbellen, dat hadden ze ook. Oorbellen. Over de vrouwen niets dan lof: veel te spannende rode kleedjes waar elk kanten ondergoedje door zichtbaar was, lurkend aan Carlsberg uit de fles, duckfacend gek aan het doen. Er werden glitterhoedjes en glowsticks uitgedeeld om de pret nog wat op te drijven.

Op de koop toe dumpten ze nog een hele bende losgelaten boekhouders in het veel te klein geworden nachtclubje. Arme stakkers die voor één keer losgelaten werden in het gebeuren dat ‘de nacht’ heette. Ze slingerden met de discolampenkappen al waren ze Tarzan in de nightclubjungle. “Nog één keer die lampenkap mijn richting uit en ik ram die discobol door je strot,” ging er door me heen. De security was van hetzelfde gedacht. Great minds think alike. Ik het brein, zij de kracht. Samen brachten we orde in deze chaos.

Ik had het bijna gehad. Alle gekheid op een stokje maar van je “hoempa hoempa faldera” gaat er bij niet in. Mijn hoof d kon dit niet meer aan. Ik dronk mijn Rodenbach uit en baande me een weg naar buiten. De nacht was nog jong, dat was hij nog tot morgenvroeg. Richting de stamkroeg waar een bruine Westmalle zijn opwachting maakte. Een avond eindigen in schoonheid. Ik word oud.

Paris s’éveille

20120118-182451.jpg
Parijs ontwaakt. Ik was er bij. Die morgen was ik één van hen en liep ik door de groezelige ondergrondse gangen die zij metro noemen. Als een parasiet vermengde ik me tussen de mieren die dagelijks de ondergrondse stad van Parijs bevolken. Daglicht en oogcontact vermijdend. Dit was het Parijs van de Parisiens, ik was een indringer. Een simpele ziel in een stad waar ik zonder problemen zou kunnen verdwalen. Ik ken mijn eigen kwaliteiten.
De Parisiens herkende je zo. Het waren zij die doelbewust door het metrokluwen liepen, groezelige blik naar de grond of hun gsm-scherm. Ze deden gewichtig met hun lederen aktentasjes, overjassen en zonnebrillen zonder zon. Ze lazen stationsromannetjes terwijl de metro zich schokkend een weg door de duisternis baande. Je kon ze zo onderscheiden van de toeristen. Ze toonden geen emotie, ook niet toen de zoveelste straatartiest ‘La vie en rose’ door zijn accordeon joeg. Ik glimlachte en viel zo bijna door de mand.
Het beeld van de Parisiennes daarentegen klopte slechts gedeeltelijk. Een minderheid had lange blonde of zwarte lokken, bloedrode lippen en ellenlange benen. Wel droegen ze veel te korte rokjes. Ik had het koud. De metro was een kille plek. Er waren ook die ‘andere’ Parisiennes: diegene die in de eerste rij stonden toen ze de neuzen uitdeelden, die licht besnord waren met dikke billen in diezelfde korte rokjes. Ze kwamen in alle geuren en kleuren. Ik had het nog steeds koud.
Ik moest de stad in, de hemel zien en deze bodemloze put uit. Het daglicht prikte mijn ogen en nergens rook ik croissants of baguettes. Het romantische Parijs uit mijn dromen bleek een klucht. Ik kwam terecht in een vervuilde stad, waar auto’s zich een weg over de Champs Elyssees kuchen en de Fransen veel te kleine koffies lurken. Wat had ik gedacht toen ik hier kwam? Zou ik hier vinden wat ik zocht? Ik slenterde door de straten, dronk dubbele koffies en maakte foto’s van toeristen die poseerden bij de Arc de Triomphe. Het zijn dingen die je moest doen als nieuwbakken Parisien, althans, dat dacht ik. Niets zou minder waar zijn.
Ik schrok wakker toen mijn trein huiswaarts zijn eindbestemming naderde. Mijn heimat riep me terug en ik luisterde. Met slechts een vage herinnering aan de stad die zijn beloftes nooit zou kunnen waarmaken, was ik dankbaar bijna terug thuis te zijn.

Regenpijpen

Het was die avond stil aan tafel bij de familie Vancompernolle.

Christine Vancompernolle betrapte haar man Christian Vancompernolle net terwijl hij de onzedige toer op ging met zijn secretaresse Lesley-Ann. Ze slikte net het laatste beetje door toen de deur plots openging. Terwijl Lesley-Ann in de ogen van Christine keek, veegde ze haar mond proper. Schutter van dienst Christian Vancompernolle stond voor de gelegenheid met zijn mond vol tanden en zijn broek niet langer vol goesting.

Een akelige stilte was het gevolg.

‘Awel,’ riep Christine na een tijdje..

‘Het is niet wat je denkt,’ mompelde Christian terwijl hij zichzelf fatsoeneerde. “Compernolleke met zijn karakolleke” was vroeger een lapnaam die hij tegen wil en dank van zijn medeploeggenoten had gekregen. Christian was indertijd rechts bak bij “FC Beter een gat in de lucht dan een stuk uit ons pelouze”. Uiteraard was deze naam voor de truitjes en uitslagen in het lokale weekblad te lang, waardoor deze werd afgekort naar FC BEGIDLDESUOP. Een naam die veel beter in de mond lag. Een uitdrukking die Lesley-Ann kon beamen.

Uiteraard was het wel wat ze dacht en na veel vijven en zessen, werd nooit aan een zeven geraakt maar droop iedereen af. Lesley-Ann trok huiswaarts omdat ze de volgende dag nog moest werken. Als secretaresse van de firma Vancompernolle BVBA, uw specialist in regenpijpen, had ze de volgende dag weer de belangrijke taak koffie te voorzien en de zaakvoerder Christian op zijn wenken te bedienen. Lesley-Ann bleek zeer gedreven en bedreven in haar werk en wist ook iets af van regen en pijpen, een kwaliteit die zorgde dat ze onmiddellijk aan de slag kon bij de BVBA.

Christian en Christine reden samen naar huis. Relatietherapie voor dummies.

In de korte rit van firma naar huis werd geen woord gezegd. De familie Vancompernolle woonde dan ook naast de firma, wat bij familiebedrijven wel vaker voorkomt. Zo kon de schuinpijperij van Compernollekes karakolleke wel makkelijk betrapt worden. “Alles in het leven heeft zijn negatieve kant,” dacht Christian, “schijten zonder je gat af te vegen, koken zonder afwassen, douchen zonder je af te drogen, het lukt ons niet. In de pijpensector moest het er eens van komen…”

Eenmaal aangekomen ten huize Vancompernolle, ging de familie met hun oudste en enige zoon aan tafel. Varkensgebraad met aardappeltjes en een gestoofd prinsessenboontje, het feestmaal van de dag.

“En pa, hoe was het vandaag in de pijpen?” vroeg zoonlief ludiek.
“Een dag zoals alle andere,” antwoordde Christian Vancompernolle, “en morgen meer van hetzelfde”.

Christine nam nog wat zout, om de bittere smaak van het gesprek te verbergen.

Zorgen

Ik maak me zorgen. Zorgen om haar. Zorgen om mezelf.

Ik maak me zorgen om mensen die hun kinderen geen gordel omdoen in hun kinderzitje in de wagen. Ik maak me zorgen om de hevige regenval en of het allemaal wel nog normaal is. Ik maak me zorgen of ik niet een dag wakker zal worden en doof zal zijn en nooit meer muziek zal kunnen horen. Nooit meer het engelengezang van zingende engelen, nooit meer haar lieve woordjes die ze fluistert in mijn oor als ze wakker wordt. Ik heb honger. Ik ook, maar nu nog even niet. Nog vijf minuutjes.

Ik maak me zorgen dat die vijf minuutjes ooit een eeuwigheid worden en ik nooit meer wakker word. Nooit meer de dingen zal zien zoals ze zijn of nooit meer de zorgen krijg die ik verdien. Ik maak me zorgen dat ik wakker wordt en dat ze niet naast me ligt. Niet weg als: ‘Ik sta al op en ga koffie maken’, maar weg weg. Zoals in niet meer hier of nooit bestaan.

Ik maak me zorgen dat ik op een dag op straat sta, geen nagel om aan mijn gat te krabben of armen te kort om de jeuk te lijf te gaan. Ik maak me zorgen dat die dag ook mijn zicht, mijn smaak, mijn gevoel zal wegzijn. Weggezogen uit het leven. Dat ik er alleen voor sta of dat ik ik niet meer ben wie ik ben.

It takes a worried man to sing a worried song.
He is worried now, but he won’t be worried long.

[Paolo Nutini – Worried man]

Ik maak me bovendien ook zorgen dat ik op een dag de wereld aankijk vol inspiratie, maar geen plaats vind om mijn ei kwijt te kunnen. Dat ik een opgekropt vat vol onnuttige info word en mensen lastig val met idiote weetjes. Wist je dat een kater weerhaken op zijn penis heeft? Ja, dat wist ik. Ik ook, maar wou het je maar even zeggen.

‘Maak je toch geen zorgen,’ fluistert ze zacht.
Ze heeft gelijk.
Mijn meisje.

Videofoon

Na een zachte zoen trekt ze de deur achter zich dicht en gaat ze de trap af. Een gebeuren waarmee ze mij alleen achter laat in een appartement dat plots groter lijkt te zijn dan ik het had durven denken. Ik steek nog even de videofoon aan waardoor ik ze in een vlucht nog even zie voorbijlopen en ruik gelijk haar zachte zeemzoete geur, die zich als een recente herinnering in mijn neus nestelde.

In de zetel zit ik, samen met de kat, die zacht haar kopje op mijn schoot te rusten legt. Ik heb zin in koffie maar kan het harig monstertje toch niet uit haar slaap wekken. Ze is zo lief meneer. Ik adem nog even diep in en ruik de Miss Dior die zich om haar lichaam wentelde, speels door de lucht fladderde en stiekem via mijn neus zich een plaatsje in mijn lijf toe-eigende. Haar geur is hier. Hier in deze zetel, waar ze gisteren zo lief lag te slapen. Maar ook hier, in mijn neus, mijn lijf, mijn kop, mijn brein. Een geur die ik nooit vergeten kan en zal. Schoonheid uit een flesje, ik zal ze herkennen. Altijd en overal.

Ik heb het gehad met zitten en schuif de kat zacht opzij. Koffie wil ik en koffie zal ik. Terwijl ik koffie zet, volgt de kat me trouw richting de keuken. Aan het venster kijkt ze hoe enkele politieagenten hun combi parkeren en boetes beginnen uit te schrijven. Hier wordt niet geparkeerd, want koersen zullen wij. Vlaanderen vakantieland. Vlaanderen fietsland. Amen.

Ik duw Monza in het grijze cd-spelertje dat sinds enkele weken zijn vaste plaats heeft op het salontafeltje in de keuken. Structuur hebben wij. Stijn Meuris kweelt over naïviteit en het loslaten van God. Ik geloof niet na vandaag, want er was ook niets. De ogen van Jenny doen me denken aan de ogen van haar en ik stap vlug op de videofoon af. Een korte duw op de knop confronteert me met wat geparkeerde auto’s, maar geen beeld van haar. Ze trok de deur achter zich dicht. Het beeld op het kleine zwart-wit schermpje flitst uit en ik sluit mijn ogen. In gedachten streel ik haar wang, streel ik haar door haar haren en kijk ik in haar ogen. Die ogen die me ontleden in alles wat ik doe, die ogen van haar die stralen als ze mij gek ziet doen. Die ogen die duidelijk laten merken als ik over grenzen ga. Die oogjes waar je duidelijk ziet dat ze moetjes is. Slapie doen. Ja, inderdaad, straks, maar nu even nog niet, laat me nog even kijken, ruiken, voelen, zijn.

De koffie is lekker, maar niet zo lekker als ik zou willen. Mannen in fluo-jasjes wijzen verloren gereden bestuurders de weg. Zonder GPS is het leven sowieso spannender. Ik rij graag verloren, maar dan echt hopeloos verloren. De weg zonder doel, maar een reis om de reis zelf. Wegen verkennen waar geen mens ooit kwam en waar de lokale bevolking vreemd kijkt, als ik rondtuf door hun straten en wegen.

Een auto vertraagt. Zou ze er al terug zijn? Ik stommel door de woonkamer en duw het knopje van de videofoon zacht in. Het beeld vormt zich aarzelend. Het enige wat ik zie zijn nog enkele geparkeerde auto in de straat. Enkele, niet veel meer. Jan met de kepie voert zijn job naar behoren uit. Zijn oversten zullen tevreden zijn, zijn medemens zal hem een lul vinden. Het zijn zotten die werken, en dat op zaterdag. Vlaanderen boven.

Terug in de keuken zie ik gehakte peterselie staan. Hij vergezelt een kookboek waar ze deze morgen stiekem in zat te bladeren. De liefde van de man gaat door de maag. Alleszins door die van mij. God zij gezegend. Vlaanderen Bourgondisch. Ik hoor een sirene en ga met mijn kop koffie aan het raam staan. Een dikke agent kruipt uit zijn wagen en laat zijn sirene aanstaan. Nog één foutgeparkeerde wagen in de hele straat. Maar geen eigenaar te bespeuren. De agent kijkt op en ziet mij staan. Zeker denkt hij dat het vehikel voor de deur er eentje van mij is. Niets van. Glunderend kijk ik hem aan en blijf koffie slurpen. Lul.
Ik vervang Meuris door Cobain. Beter uitbranden dan wegkwijnen, denk ik bij mezelf. De agent geeft het op, kruipt in zijn witte Volkswagen Passat en druipt af. Twee minuten later wordt de wagen verplaatst door de eigenaar. Victorie. Vlaanderen Politiestaat.

In de keuken staar ik voor me uit, slurpend aan koffie. Staren. Slurpen. Staren en slurpen. En nog meer staren en nog meer slurpen. Zou ze? Misschien. Of is het nog te vroeg? De videofoon vertelt me niets meer, maar wel een stuk minder. Een lege straat en Dos Cervezas, gevolgd door een handvol wielrijders. God hebbe hun ziel, de brave poginkjes tot Flandrien. Gestommel in de gang. Voetstappen op de trap. Dan toch? Ik doe alsof er niets aan de hand is, maar net als de kat zou ik haar om het lijf willen vliegen. Ze sukkelt met zakken die ze neerploft op de keukentafel. Ik volg haar, kus haar zacht in de nek en fluister: Ik zie je graag.

Zij mij ook. Ze brengt me zichzelf. En de boodschappen.

Haar beste vriend

Ze had die avond weer te veel gedronken en met haar zwoele lippen probeerde ze menig man te kussen. Ik stond er als vanouds weer bij en keek er naar. Ze had me tot beste vriend gedoopt en met deze titel stond ik net iets nuchterder aan haar zijde. Want goed als ik was, zorgde ik voor haar. Dat is wat beste vrienden doen. De sangria en witte wijn vloeide die avond rijkelijk, maar ik wist niet zeker in welke richting. Stroomafwaarts zou men denken, vandaar dat ik ook geregeld een sanitaire stop inlaste. Zo ben je tenminste zeker van je stuk en bega je geen genante ongelukjes.

We dronken dat het een lieve lust was: alles waar we onze handen aan konden krijgen, zetten we aan onze lippen. Zij aan haar rode zwoele exemplaren, ik aan die van mij. Ik keek haar aan terwijl ze glas na glas verzette en dacht bij mezelf dat ik eigenlijk wel heel vereerd was geweest met de titel ‘Mijn beste vriend’. Het had me op dat moment zelfs wat schaamrood op de wangen getoverd en een klein traantje baande zich toen een weg naar buiten, maar door middel van een kort handgebaar had ik het mooi afgewimpeld en terstond mijn stoere mannelijkheid behouden. Echte mannen huilen niet, zo schijnt de fabel te vertellen.

Samen zouden we die nacht nog doorbrengen, glaasje na glaasje, danspasje na danspasje, zwoele kus na zwoele kus. Zij daar, ik hier, aan haar zijde maar toch niet helemaal, kijkend, zorgend en er naar uitzien dat ze toch geen domme stoten uithaalde. Dat schijn je nu eenmaal te doen als beste vriend. Want menig mannenlip of ongeschoren kaak werd gekust. En ik stond erbij en keek er naar, stiekem wensend dat ze mij die avond ook niet zou vergeten.

Vele mensen worden zat, stomdronken, gewelddadig of geil na rijkelijk alcoholmisbruik. Zij niet, ze had nood aan liefde en schreeuwde het ook uit. Zie mij graag, weerklonk het boven het helse kabaal van wat mensen tegenwoordig muziek noemen. Ik was meegegaan met haar, omdat ik haar beste vriend was. Dat schijn je nu eenmaal te doen. Die avond wou ik haar graag zien, maar dat zou de grenzen van een beste vriendschap overschrijden en dat schijn je dan niet te mogen doen. De grenzen van het menselijke samenleven zijn duidelijk afgebakend en hoor je niet te overschrijden. Doe je het wel dan zijn de gevolgen niet om aan te zien.

Voor mij liep de avond op zijn einde en na een laatste glas spoorde ik haar aan mij te volgen. Doorgaans kan het me niet schelen wat mensen doen, maar haar had ik die avond graag veilig zien thuiskomen. Veilig en alleen, waar geen mannelijk hormoon van haar jonge vrouwelijkheid misbruik zou kunnen maken. Want drank in de man, wijsheid in de kan. Er bestaat geen vrouwelijke versie van dit spreekwoord, omdat het toch nooit te rijmen valt.

Die avond stak ik haar fiets in de koffer van mijn wagen en bracht haar naar huis. Straatje na straatje, minuut na minuut, een gezellig samenzijn dat langzaam maar zeker op zijn einde liep. Ik parkeerde mijn wagen voor haar deur en prutste heel voorzichtig, doch veel te luidruchtig op dit uur haar fiets uit de wagen. Zij stond een beetje vermoeid en verdwaasd op het trottoir me aan te staren met een stiekeme glimlach op die lippen van haar. Toen ik dichterbij kwam, de moed bijeen raapte en haar een goedenacht wou kussen, liep ze naar binnen.

Ik was haar achterna gelopen en even later hield ik haar haar uit de toiletpot, terwijl zij haar maaginhoud nog eens begroette. Ik was haar beste vriend en die nacht zou daar geen verandering in komen.

Bescheten commissies

Terwijl ik fecaliën producerend, de Goedele van deze maand ter hand, een artikel over scatologie lees, bedenkt mijn brein wat voor zieke geesten deze wereld herbergt. Ook ik geniet er van om mijn zaakje te dumpen, maar laat het dan even zijn waar het hoort. Hoe liefdevol kan het zijn om in iemands bek te schijten, ik vraag het me werkelijk af. Nu goed, we moeten elkaar maar lekker laten doen wat we graag doen. Ook ik heb mijn kanten waar anderen van denken: ‘Nou, tjah, wel, euhm, allez…’

Het zal me in dat opzicht ook worst wezen wat het gepeupel van me denkt, laat staan dat ik het me zou aantrekken dat ze er infantiele verzinsels rond opbouwen en de wereld insturen. Wel moet ik zeggen dat ik deze mensen een kans wil geven. Een kans om hun ideeën met me te delen, zodat ik deze fantasieën kan weerleggen, of ze bevestigen, wat uiteraard ook kan. Een hoekje min of meer kan ik wel missen en doe ik soms ook: ik ben dan ook de laatste om de eerste steen te gooien, maar laat me dan wel de eerste zijn om de laatste steen te gooien.

Alles bij elkaar zijn deze wezens ook de slechtste niet: het mankeert hen slechts aan logisch en gezond verstand, aan de kennis om hun eigen veters te knopen en aan de kunde om een A4’tje vol te schrijven zonder taalfouten. Ze zijn dan ook makkelijk te herkennen: sportschoenen in allerhande geuren en kleuren met een velcrosluiting, bij keren te veel metaal door hun hoofd en zelf soms kapsels waarvan een doorsnee punker denkt: Wel, nu moet je ook niet gaan overdrijven! Als ze gehaast zijn, zou hen wel eens durven overkomen dat ze nog een stukje stront tussen de tanden hebben zitten, want ze houden er doorgaans ook vreemde hobby’s op na. Uiteraard veroordeel ik hier niemand, maar ik prefereer mijn tijdverdrijf in omstandigheden waar ik geen plastieken zeilen op de vloer moet leggen en mijn huis niet geurt als een paardenstal na afloop.
Zelf is mijn verbeelding wel zo ruim om te kunnen inbeelden dat bij spetterpoep het schoonmaken net dat ietsje vlugger gaat: met een trekker kap je natuurlijk dat hele zooitje gewoon het trottoir op, waar de buren er ook nog mee van kunnen genieten. Vredelievendheid alom.

Mij kan veel verweten worden. Dat ik alles ben wat mooi en lelijk is op deze aardschijf, dat ik soms te arrogant ben, dat ik vaak moet leren mijn mond houden en dat ik van tijd tot tijd wel zaken doe die ik nu liever niet in de mond neem. Dat wel.
Maar laat ons eerlijk zijn, ik draag normalere schoenen, mijn kapsel mag gezien worden, ik ben allergisch aan ijzer (behalve in spinazie), kan bij leven en welzijn schrijven zonder opmerkelijke taalfouten en god lieve deugd: ik sta recht na het ontlasten, groet mijn bruine vriend nog even vaarwel en spoel hem helemaal door.
Alles op zijn tijd en plaats.
Bij leven en welzijn.

Testament

Na eenentwintig jaren in zijn leven, maakte hij een testament op van zijn jeugd. Zelf zit ik een drietal jaar verder, maar ben op het punt gekomen waar ook ik dat testament op maak. Vierentwintig lentes, zomers, herfsten en winters ver ben ik gekomen om op dit punt halt te houden en terug te kijken. Wetende dat dit moment er al een hele tijd zit aan te komen, maar bang om het moment op zich aan te vangen. Bang om stil te staan en terug te zien omdat je misschien zal beseffen dat je in die vierentwintig jaar waarin je bestaat misschien net iets te weinig hebt neergezet of achtergelaten dat het noemen waard is of dat ooit zal zijn. En toch ben ik er klaar voor.

Ik neem een stoel en ga zitten, met mijn rug naar het verleden toe. Een verlossende zucht wacht diep in mijn longen op een opwaartse beweging. Maar niet vooraleer ik eens smerig hoest, zucht ik. Het is zover, maak ik mezelf wijs en sta op. Ik zet me terug op de stoel, maar omgekeerd. Met mijn borstkas leun ik tegen de leuning, kruis mijn armen en leg ze bang over diezelfde leuning heen en steun mijn hoofd op mijn armen. Terwijl ik mijn ogen open, vraag ik me af wat ik hier zal aantreffen, hier op dit punt in mijn leven, waarop ik achterom kijk.

Mooi, denk ik bij mezelf, vierentwintig jaar en dit heb je achter gelaten. Wat een prachtig allegaartje herinneringen, bepeinzingen en krachtproeven. Maar vooral wat een ravage. Wat een gore boel aan mislukkingen, verkeerde keuzes en stommiteiten. Ik glimlach omdat ik wist wat ik te zien ging krijgen en nu ik het eindelijk voor ogen krijg, is het aanzien er van zo moeilijk te vatten dat een simpele glimlach misschien het beste is wat ik op dit moment kan doen.

Ben ik hier echt trots op, vraag ik me af. Is dit het? Vierentwintig en een mislukt huwelijk, verloren liefdes, domme beslissingen en achterlijke stoten. En daar zit ik dan, als een halve idioot te kijken naar wat ik hier achtergelaten heb. Soms denk ik dat ik er misschien beter niet meer zou zijn, als ik zo om kijk. Maar die gedachte houdt in dat mensen mij enkel zouden herinneren als dit hoopje wat ik hier aanschouw en die gedachte maakt mij nog triester dan ik op dit eigenste moment misschien wel ben. Als ik iets positiever ingesteld ben, blijf ik hier nog wat liever op deze aardkloot, zo krijg ik ook de mogelijkheid om iets aan dit zootje te doen, het heft weer in eigen handen pakken, de koe bij de horens vatten en kogels door diverse kerken heen jagen!

Mooi, zullen anderen zeggen. Heb je dat helemaal alleen gedaan, J.H., zullen ze vragen. En ja hoor, helemaal alleen heb ik dit leventje doorsparteld om alles op een hoopje hier aan te schouwen en bij mezelf te denken dat ik eigenlijk wel blij ben dat ik dit allemaal heb meegemaakt, hoe smerig het hoopje ook mag uitschijnen als je het zo voor de eerste keer tot jezelf neemt.

‘Als een warrig bureau staat voor een warrige geest, voor wat staat een leeg bureau dan?’ Ik klopte mijn goede vriend Albert op de schouders en met deze uitspraak in gedachte stond ik op, en ging ik rommelen in de warrigheid van mijn bestaan. Een mooi klassement aan herinneringen zou ik proberen op te bouwen: alles mooi in schuiven wat in schuiven hoort, alles mooi op het rek wat daar hoort en liefst van al alfabetisch en chronologisch geklasseerd. Een pareltje aan geklasseerde herinneringen en ervaringen, waar elk zinnig mens trots op zou zijn. Ik begon met het samenrapen van alle mooie jeugdsentimenten en zette ze mooi tegen de muur, eerste de grote lijnen klasseren, dan het fijne klassement. Puberverhalen raapte ik op en stapelde ze mooi opeen op een hoopje. En hoe verder ik ging, hoe meer vrolijke gedachten ik tegen het lijf liep, maar ook de hele smerigheid van mijn bestaan kwam ik tegen, hier in dit hoopje wat ik mijn leven noem. Vermoeid nam ik terug plaats op mijn stoel en nam alles nogmaals in ogenschouw.

Onnozelaar, dacht ik bij mezelf.
Mooi klassement. Om heel trots op te worden.
Onnozelaar!

Ik stond op en als een razende ging ik tekeer om mijn jeugdsentimenten overhoop te gooien, kalverliefdes vermengde ik terug onder het hoopje puberverhalen. En als dat niet genoeg was trapte ik ook nog eens de recente geschiedenis door het hoopje.
Tevreden als ik was, nam ik nog eens het hoopje ongeregeld in ogenschouw. Opgeruimd staat netjes. Ik ging terug op de stoel zitten en besefte dat al dat uitmesten van je eigen verleden soms wel deugd kan doen. Maar daarom hoeft niet alles op orde te staan. Het doet zoveel meer deugd van tijd tot tijd plaats te nemen op een stoel en losweg herinneringen uit de hele stapel los te peuteren, ze te bekijken en terug op de hoop te gooien. Sommige neem je maar even vast, sommige wat langer. Maar allemaal neem je ze ooit vast, allemaal bekijk je ze even en gooi je ze terug bij de rest. En de herinneringen die je vaker vastneemt, krijgen op den duur een plaatsje waar je ze gemakkelijk terug vindt. Maar de mooiste momenten zijn de momenten waarin je in je hoopje begint te snuisteren en plots dat ene moment vasthebt, waarvan je denkt: he, lang geleden. Waarna je glimlachend even gaat zitten, om het verhaal wat er aan vasthangt nog eens even intens te beleven.

Opgeruimd staat netjes. Moe maar voldaan zat ik terug op mijn stoeltje en draaide mijn verleden nog maar even de rug toe. Ik dacht dat ik hier klaar voor was, maar dat ben je nooit en tot dat besef was ook ik weer vandaag gekomen. Misschien begin ik morgen nog eens opnieuw, maar niet vandaag.