Regenpijpen

Het was die avond stil aan tafel bij de familie Vancompernolle.

Christine Vancompernolle betrapte haar man Christian Vancompernolle net terwijl hij de onzedige toer op ging met zijn secretaresse Lesley-Ann. Ze slikte net het laatste beetje door toen de deur plots openging. Terwijl Lesley-Ann in de ogen van Christine keek, veegde ze haar mond proper. Schutter van dienst Christian Vancompernolle stond voor de gelegenheid met zijn mond vol tanden en zijn broek niet langer vol goesting.

Een akelige stilte was het gevolg.

‘Awel,’ riep Christine na een tijdje..

‘Het is niet wat je denkt,’ mompelde Christian terwijl hij zichzelf fatsoeneerde. “Compernolleke met zijn karakolleke” was vroeger een lapnaam die hij tegen wil en dank van zijn medeploeggenoten had gekregen. Christian was indertijd rechts bak bij “FC Beter een gat in de lucht dan een stuk uit ons pelouze”. Uiteraard was deze naam voor de truitjes en uitslagen in het lokale weekblad te lang, waardoor deze werd afgekort naar FC BEGIDLDESUOP. Een naam die veel beter in de mond lag. Een uitdrukking die Lesley-Ann kon beamen.

Uiteraard was het wel wat ze dacht en na veel vijven en zessen, werd nooit aan een zeven geraakt maar droop iedereen af. Lesley-Ann trok huiswaarts omdat ze de volgende dag nog moest werken. Als secretaresse van de firma Vancompernolle BVBA, uw specialist in regenpijpen, had ze de volgende dag weer de belangrijke taak koffie te voorzien en de zaakvoerder Christian op zijn wenken te bedienen. Lesley-Ann bleek zeer gedreven en bedreven in haar werk en wist ook iets af van regen en pijpen, een kwaliteit die zorgde dat ze onmiddellijk aan de slag kon bij de BVBA.

Christian en Christine reden samen naar huis. Relatietherapie voor dummies.

In de korte rit van firma naar huis werd geen woord gezegd. De familie Vancompernolle woonde dan ook naast de firma, wat bij familiebedrijven wel vaker voorkomt. Zo kon de schuinpijperij van Compernollekes karakolleke wel makkelijk betrapt worden. “Alles in het leven heeft zijn negatieve kant,” dacht Christian, “schijten zonder je gat af te vegen, koken zonder afwassen, douchen zonder je af te drogen, het lukt ons niet. In de pijpensector moest het er eens van komen…”

Eenmaal aangekomen ten huize Vancompernolle, ging de familie met hun oudste en enige zoon aan tafel. Varkensgebraad met aardappeltjes en een gestoofd prinsessenboontje, het feestmaal van de dag.

“En pa, hoe was het vandaag in de pijpen?” vroeg zoonlief ludiek.
“Een dag zoals alle andere,” antwoordde Christian Vancompernolle, “en morgen meer van hetzelfde”.

Christine nam nog wat zout, om de bittere smaak van het gesprek te verbergen.

Zorgen

Ik maak me zorgen. Zorgen om haar. Zorgen om mezelf.

Ik maak me zorgen om mensen die hun kinderen geen gordel omdoen in hun kinderzitje in de wagen. Ik maak me zorgen om de hevige regenval en of het allemaal wel nog normaal is. Ik maak me zorgen of ik niet een dag wakker zal worden en doof zal zijn en nooit meer muziek zal kunnen horen. Nooit meer het engelengezang van zingende engelen, nooit meer haar lieve woordjes die ze fluistert in mijn oor als ze wakker wordt. Ik heb honger. Ik ook, maar nu nog even niet. Nog vijf minuutjes.

Ik maak me zorgen dat die vijf minuutjes ooit een eeuwigheid worden en ik nooit meer wakker word. Nooit meer de dingen zal zien zoals ze zijn of nooit meer de zorgen krijg die ik verdien. Ik maak me zorgen dat ik wakker wordt en dat ze niet naast me ligt. Niet weg als: ‘Ik sta al op en ga koffie maken’, maar weg weg. Zoals in niet meer hier of nooit bestaan.

Ik maak me zorgen dat ik op een dag op straat sta, geen nagel om aan mijn gat te krabben of armen te kort om de jeuk te lijf te gaan. Ik maak me zorgen dat die dag ook mijn zicht, mijn smaak, mijn gevoel zal wegzijn. Weggezogen uit het leven. Dat ik er alleen voor sta of dat ik ik niet meer ben wie ik ben.

It takes a worried man to sing a worried song.
He is worried now, but he won’t be worried long.

[Paolo Nutini – Worried man]

Ik maak me bovendien ook zorgen dat ik op een dag de wereld aankijk vol inspiratie, maar geen plaats vind om mijn ei kwijt te kunnen. Dat ik een opgekropt vat vol onnuttige info word en mensen lastig val met idiote weetjes. Wist je dat een kater weerhaken op zijn penis heeft? Ja, dat wist ik. Ik ook, maar wou het je maar even zeggen.

‘Maak je toch geen zorgen,’ fluistert ze zacht.
Ze heeft gelijk.
Mijn meisje.

Videofoon

Na een zachte zoen trekt ze de deur achter zich dicht en gaat ze de trap af. Een gebeuren waarmee ze mij alleen achter laat in een appartement dat plots groter lijkt te zijn dan ik het had durven denken. Ik steek nog even de videofoon aan waardoor ik ze in een vlucht nog even zie voorbijlopen en ruik gelijk haar zachte zeemzoete geur, die zich als een recente herinnering in mijn neus nestelde.

In de zetel zit ik, samen met de kat, die zacht haar kopje op mijn schoot te rusten legt. Ik heb zin in koffie maar kan het harig monstertje toch niet uit haar slaap wekken. Ze is zo lief meneer. Ik adem nog even diep in en ruik de Miss Dior die zich om haar lichaam wentelde, speels door de lucht fladderde en stiekem via mijn neus zich een plaatsje in mijn lijf toe-eigende. Haar geur is hier. Hier in deze zetel, waar ze gisteren zo lief lag te slapen. Maar ook hier, in mijn neus, mijn lijf, mijn kop, mijn brein. Een geur die ik nooit vergeten kan en zal. Schoonheid uit een flesje, ik zal ze herkennen. Altijd en overal.

Ik heb het gehad met zitten en schuif de kat zacht opzij. Koffie wil ik en koffie zal ik. Terwijl ik koffie zet, volgt de kat me trouw richting de keuken. Aan het venster kijkt ze hoe enkele politieagenten hun combi parkeren en boetes beginnen uit te schrijven. Hier wordt niet geparkeerd, want koersen zullen wij. Vlaanderen vakantieland. Vlaanderen fietsland. Amen.

Ik duw Monza in het grijze cd-spelertje dat sinds enkele weken zijn vaste plaats heeft op het salontafeltje in de keuken. Structuur hebben wij. Stijn Meuris kweelt over naïviteit en het loslaten van God. Ik geloof niet na vandaag, want er was ook niets. De ogen van Jenny doen me denken aan de ogen van haar en ik stap vlug op de videofoon af. Een korte duw op de knop confronteert me met wat geparkeerde auto’s, maar geen beeld van haar. Ze trok de deur achter zich dicht. Het beeld op het kleine zwart-wit schermpje flitst uit en ik sluit mijn ogen. In gedachten streel ik haar wang, streel ik haar door haar haren en kijk ik in haar ogen. Die ogen die me ontleden in alles wat ik doe, die ogen van haar die stralen als ze mij gek ziet doen. Die ogen die duidelijk laten merken als ik over grenzen ga. Die oogjes waar je duidelijk ziet dat ze moetjes is. Slapie doen. Ja, inderdaad, straks, maar nu even nog niet, laat me nog even kijken, ruiken, voelen, zijn.

De koffie is lekker, maar niet zo lekker als ik zou willen. Mannen in fluo-jasjes wijzen verloren gereden bestuurders de weg. Zonder GPS is het leven sowieso spannender. Ik rij graag verloren, maar dan echt hopeloos verloren. De weg zonder doel, maar een reis om de reis zelf. Wegen verkennen waar geen mens ooit kwam en waar de lokale bevolking vreemd kijkt, als ik rondtuf door hun straten en wegen.

Een auto vertraagt. Zou ze er al terug zijn? Ik stommel door de woonkamer en duw het knopje van de videofoon zacht in. Het beeld vormt zich aarzelend. Het enige wat ik zie zijn nog enkele geparkeerde auto in de straat. Enkele, niet veel meer. Jan met de kepie voert zijn job naar behoren uit. Zijn oversten zullen tevreden zijn, zijn medemens zal hem een lul vinden. Het zijn zotten die werken, en dat op zaterdag. Vlaanderen boven.

Terug in de keuken zie ik gehakte peterselie staan. Hij vergezelt een kookboek waar ze deze morgen stiekem in zat te bladeren. De liefde van de man gaat door de maag. Alleszins door die van mij. God zij gezegend. Vlaanderen Bourgondisch. Ik hoor een sirene en ga met mijn kop koffie aan het raam staan. Een dikke agent kruipt uit zijn wagen en laat zijn sirene aanstaan. Nog één foutgeparkeerde wagen in de hele straat. Maar geen eigenaar te bespeuren. De agent kijkt op en ziet mij staan. Zeker denkt hij dat het vehikel voor de deur er eentje van mij is. Niets van. Glunderend kijk ik hem aan en blijf koffie slurpen. Lul.
Ik vervang Meuris door Cobain. Beter uitbranden dan wegkwijnen, denk ik bij mezelf. De agent geeft het op, kruipt in zijn witte Volkswagen Passat en druipt af. Twee minuten later wordt de wagen verplaatst door de eigenaar. Victorie. Vlaanderen Politiestaat.

In de keuken staar ik voor me uit, slurpend aan koffie. Staren. Slurpen. Staren en slurpen. En nog meer staren en nog meer slurpen. Zou ze? Misschien. Of is het nog te vroeg? De videofoon vertelt me niets meer, maar wel een stuk minder. Een lege straat en Dos Cervezas, gevolgd door een handvol wielrijders. God hebbe hun ziel, de brave poginkjes tot Flandrien. Gestommel in de gang. Voetstappen op de trap. Dan toch? Ik doe alsof er niets aan de hand is, maar net als de kat zou ik haar om het lijf willen vliegen. Ze sukkelt met zakken die ze neerploft op de keukentafel. Ik volg haar, kus haar zacht in de nek en fluister: Ik zie je graag.

Zij mij ook. Ze brengt me zichzelf. En de boodschappen.

Haar beste vriend

Ze had die avond weer te veel gedronken en met haar zwoele lippen probeerde ze menig man te kussen. Ik stond er als vanouds weer bij en keek er naar. Ze had me tot beste vriend gedoopt en met deze titel stond ik net iets nuchterder aan haar zijde. Want goed als ik was, zorgde ik voor haar. Dat is wat beste vrienden doen. De sangria en witte wijn vloeide die avond rijkelijk, maar ik wist niet zeker in welke richting. Stroomafwaarts zou men denken, vandaar dat ik ook geregeld een sanitaire stop inlaste. Zo ben je tenminste zeker van je stuk en bega je geen genante ongelukjes.

We dronken dat het een lieve lust was: alles waar we onze handen aan konden krijgen, zetten we aan onze lippen. Zij aan haar rode zwoele exemplaren, ik aan die van mij. Ik keek haar aan terwijl ze glas na glas verzette en dacht bij mezelf dat ik eigenlijk wel heel vereerd was geweest met de titel ‘Mijn beste vriend’. Het had me op dat moment zelfs wat schaamrood op de wangen getoverd en een klein traantje baande zich toen een weg naar buiten, maar door middel van een kort handgebaar had ik het mooi afgewimpeld en terstond mijn stoere mannelijkheid behouden. Echte mannen huilen niet, zo schijnt de fabel te vertellen.

Samen zouden we die nacht nog doorbrengen, glaasje na glaasje, danspasje na danspasje, zwoele kus na zwoele kus. Zij daar, ik hier, aan haar zijde maar toch niet helemaal, kijkend, zorgend en er naar uitzien dat ze toch geen domme stoten uithaalde. Dat schijn je nu eenmaal te doen als beste vriend. Want menig mannenlip of ongeschoren kaak werd gekust. En ik stond erbij en keek er naar, stiekem wensend dat ze mij die avond ook niet zou vergeten.

Vele mensen worden zat, stomdronken, gewelddadig of geil na rijkelijk alcoholmisbruik. Zij niet, ze had nood aan liefde en schreeuwde het ook uit. Zie mij graag, weerklonk het boven het helse kabaal van wat mensen tegenwoordig muziek noemen. Ik was meegegaan met haar, omdat ik haar beste vriend was. Dat schijn je nu eenmaal te doen. Die avond wou ik haar graag zien, maar dat zou de grenzen van een beste vriendschap overschrijden en dat schijn je dan niet te mogen doen. De grenzen van het menselijke samenleven zijn duidelijk afgebakend en hoor je niet te overschrijden. Doe je het wel dan zijn de gevolgen niet om aan te zien.

Voor mij liep de avond op zijn einde en na een laatste glas spoorde ik haar aan mij te volgen. Doorgaans kan het me niet schelen wat mensen doen, maar haar had ik die avond graag veilig zien thuiskomen. Veilig en alleen, waar geen mannelijk hormoon van haar jonge vrouwelijkheid misbruik zou kunnen maken. Want drank in de man, wijsheid in de kan. Er bestaat geen vrouwelijke versie van dit spreekwoord, omdat het toch nooit te rijmen valt.

Die avond stak ik haar fiets in de koffer van mijn wagen en bracht haar naar huis. Straatje na straatje, minuut na minuut, een gezellig samenzijn dat langzaam maar zeker op zijn einde liep. Ik parkeerde mijn wagen voor haar deur en prutste heel voorzichtig, doch veel te luidruchtig op dit uur haar fiets uit de wagen. Zij stond een beetje vermoeid en verdwaasd op het trottoir me aan te staren met een stiekeme glimlach op die lippen van haar. Toen ik dichterbij kwam, de moed bijeen raapte en haar een goedenacht wou kussen, liep ze naar binnen.

Ik was haar achterna gelopen en even later hield ik haar haar uit de toiletpot, terwijl zij haar maaginhoud nog eens begroette. Ik was haar beste vriend en die nacht zou daar geen verandering in komen.

Bescheten commissies

Terwijl ik fecaliën producerend, de Goedele van deze maand ter hand, een artikel over scatologie lees, bedenkt mijn brein wat voor zieke geesten deze wereld herbergt. Ook ik geniet er van om mijn zaakje te dumpen, maar laat het dan even zijn waar het hoort. Hoe liefdevol kan het zijn om in iemands bek te schijten, ik vraag het me werkelijk af. Nu goed, we moeten elkaar maar lekker laten doen wat we graag doen. Ook ik heb mijn kanten waar anderen van denken: ‘Nou, tjah, wel, euhm, allez…’

Het zal me in dat opzicht ook worst wezen wat het gepeupel van me denkt, laat staan dat ik het me zou aantrekken dat ze er infantiele verzinsels rond opbouwen en de wereld insturen. Wel moet ik zeggen dat ik deze mensen een kans wil geven. Een kans om hun ideeën met me te delen, zodat ik deze fantasieën kan weerleggen, of ze bevestigen, wat uiteraard ook kan. Een hoekje min of meer kan ik wel missen en doe ik soms ook: ik ben dan ook de laatste om de eerste steen te gooien, maar laat me dan wel de eerste zijn om de laatste steen te gooien.

Alles bij elkaar zijn deze wezens ook de slechtste niet: het mankeert hen slechts aan logisch en gezond verstand, aan de kennis om hun eigen veters te knopen en aan de kunde om een A4’tje vol te schrijven zonder taalfouten. Ze zijn dan ook makkelijk te herkennen: sportschoenen in allerhande geuren en kleuren met een velcrosluiting, bij keren te veel metaal door hun hoofd en zelf soms kapsels waarvan een doorsnee punker denkt: Wel, nu moet je ook niet gaan overdrijven! Als ze gehaast zijn, zou hen wel eens durven overkomen dat ze nog een stukje stront tussen de tanden hebben zitten, want ze houden er doorgaans ook vreemde hobby’s op na. Uiteraard veroordeel ik hier niemand, maar ik prefereer mijn tijdverdrijf in omstandigheden waar ik geen plastieken zeilen op de vloer moet leggen en mijn huis niet geurt als een paardenstal na afloop.
Zelf is mijn verbeelding wel zo ruim om te kunnen inbeelden dat bij spetterpoep het schoonmaken net dat ietsje vlugger gaat: met een trekker kap je natuurlijk dat hele zooitje gewoon het trottoir op, waar de buren er ook nog mee van kunnen genieten. Vredelievendheid alom.

Mij kan veel verweten worden. Dat ik alles ben wat mooi en lelijk is op deze aardschijf, dat ik soms te arrogant ben, dat ik vaak moet leren mijn mond houden en dat ik van tijd tot tijd wel zaken doe die ik nu liever niet in de mond neem. Dat wel.
Maar laat ons eerlijk zijn, ik draag normalere schoenen, mijn kapsel mag gezien worden, ik ben allergisch aan ijzer (behalve in spinazie), kan bij leven en welzijn schrijven zonder opmerkelijke taalfouten en god lieve deugd: ik sta recht na het ontlasten, groet mijn bruine vriend nog even vaarwel en spoel hem helemaal door.
Alles op zijn tijd en plaats.
Bij leven en welzijn.

Testament

Na eenentwintig jaren in zijn leven, maakte hij een testament op van zijn jeugd. Zelf zit ik een drietal jaar verder, maar ben op het punt gekomen waar ook ik dat testament op maak. Vierentwintig lentes, zomers, herfsten en winters ver ben ik gekomen om op dit punt halt te houden en terug te kijken. Wetende dat dit moment er al een hele tijd zit aan te komen, maar bang om het moment op zich aan te vangen. Bang om stil te staan en terug te zien omdat je misschien zal beseffen dat je in die vierentwintig jaar waarin je bestaat misschien net iets te weinig hebt neergezet of achtergelaten dat het noemen waard is of dat ooit zal zijn. En toch ben ik er klaar voor.

Ik neem een stoel en ga zitten, met mijn rug naar het verleden toe. Een verlossende zucht wacht diep in mijn longen op een opwaartse beweging. Maar niet vooraleer ik eens smerig hoest, zucht ik. Het is zover, maak ik mezelf wijs en sta op. Ik zet me terug op de stoel, maar omgekeerd. Met mijn borstkas leun ik tegen de leuning, kruis mijn armen en leg ze bang over diezelfde leuning heen en steun mijn hoofd op mijn armen. Terwijl ik mijn ogen open, vraag ik me af wat ik hier zal aantreffen, hier op dit punt in mijn leven, waarop ik achterom kijk.

Mooi, denk ik bij mezelf, vierentwintig jaar en dit heb je achter gelaten. Wat een prachtig allegaartje herinneringen, bepeinzingen en krachtproeven. Maar vooral wat een ravage. Wat een gore boel aan mislukkingen, verkeerde keuzes en stommiteiten. Ik glimlach omdat ik wist wat ik te zien ging krijgen en nu ik het eindelijk voor ogen krijg, is het aanzien er van zo moeilijk te vatten dat een simpele glimlach misschien het beste is wat ik op dit moment kan doen.

Ben ik hier echt trots op, vraag ik me af. Is dit het? Vierentwintig en een mislukt huwelijk, verloren liefdes, domme beslissingen en achterlijke stoten. En daar zit ik dan, als een halve idioot te kijken naar wat ik hier achtergelaten heb. Soms denk ik dat ik er misschien beter niet meer zou zijn, als ik zo om kijk. Maar die gedachte houdt in dat mensen mij enkel zouden herinneren als dit hoopje wat ik hier aanschouw en die gedachte maakt mij nog triester dan ik op dit eigenste moment misschien wel ben. Als ik iets positiever ingesteld ben, blijf ik hier nog wat liever op deze aardkloot, zo krijg ik ook de mogelijkheid om iets aan dit zootje te doen, het heft weer in eigen handen pakken, de koe bij de horens vatten en kogels door diverse kerken heen jagen!

Mooi, zullen anderen zeggen. Heb je dat helemaal alleen gedaan, J.H., zullen ze vragen. En ja hoor, helemaal alleen heb ik dit leventje doorsparteld om alles op een hoopje hier aan te schouwen en bij mezelf te denken dat ik eigenlijk wel blij ben dat ik dit allemaal heb meegemaakt, hoe smerig het hoopje ook mag uitschijnen als je het zo voor de eerste keer tot jezelf neemt.

‘Als een warrig bureau staat voor een warrige geest, voor wat staat een leeg bureau dan?’ Ik klopte mijn goede vriend Albert op de schouders en met deze uitspraak in gedachte stond ik op, en ging ik rommelen in de warrigheid van mijn bestaan. Een mooi klassement aan herinneringen zou ik proberen op te bouwen: alles mooi in schuiven wat in schuiven hoort, alles mooi op het rek wat daar hoort en liefst van al alfabetisch en chronologisch geklasseerd. Een pareltje aan geklasseerde herinneringen en ervaringen, waar elk zinnig mens trots op zou zijn. Ik begon met het samenrapen van alle mooie jeugdsentimenten en zette ze mooi tegen de muur, eerste de grote lijnen klasseren, dan het fijne klassement. Puberverhalen raapte ik op en stapelde ze mooi opeen op een hoopje. En hoe verder ik ging, hoe meer vrolijke gedachten ik tegen het lijf liep, maar ook de hele smerigheid van mijn bestaan kwam ik tegen, hier in dit hoopje wat ik mijn leven noem. Vermoeid nam ik terug plaats op mijn stoel en nam alles nogmaals in ogenschouw.

Onnozelaar, dacht ik bij mezelf.
Mooi klassement. Om heel trots op te worden.
Onnozelaar!

Ik stond op en als een razende ging ik tekeer om mijn jeugdsentimenten overhoop te gooien, kalverliefdes vermengde ik terug onder het hoopje puberverhalen. En als dat niet genoeg was trapte ik ook nog eens de recente geschiedenis door het hoopje.
Tevreden als ik was, nam ik nog eens het hoopje ongeregeld in ogenschouw. Opgeruimd staat netjes. Ik ging terug op de stoel zitten en besefte dat al dat uitmesten van je eigen verleden soms wel deugd kan doen. Maar daarom hoeft niet alles op orde te staan. Het doet zoveel meer deugd van tijd tot tijd plaats te nemen op een stoel en losweg herinneringen uit de hele stapel los te peuteren, ze te bekijken en terug op de hoop te gooien. Sommige neem je maar even vast, sommige wat langer. Maar allemaal neem je ze ooit vast, allemaal bekijk je ze even en gooi je ze terug bij de rest. En de herinneringen die je vaker vastneemt, krijgen op den duur een plaatsje waar je ze gemakkelijk terug vindt. Maar de mooiste momenten zijn de momenten waarin je in je hoopje begint te snuisteren en plots dat ene moment vasthebt, waarvan je denkt: he, lang geleden. Waarna je glimlachend even gaat zitten, om het verhaal wat er aan vasthangt nog eens even intens te beleven.

Opgeruimd staat netjes. Moe maar voldaan zat ik terug op mijn stoeltje en draaide mijn verleden nog maar even de rug toe. Ik dacht dat ik hier klaar voor was, maar dat ben je nooit en tot dat besef was ook ik weer vandaag gekomen. Misschien begin ik morgen nog eens opnieuw, maar niet vandaag.

God

En God daalde naar beneden en vermomde zich in mij
Kommil Foo

Gelijk hadden ze, de kunstzinnige broertjes. Maar dat ze dat zo open en bloot hoefden te vertellen, daar had Ik Mijn twijfels over. Uiteraard had niemand door dat dit over Mezelf ging. Sommige hadden het wel al eens doorgehad, maar waren nooit diep genoeg tot Mijn binnenste ziel binnengedrongen om te beseffen hoe dicht hun idee bij de waarheid aanleunde. De Waarheid, met hoofdletter W uiteraard.

Ik streelde Mijn Goddelijk Lichaam, wat op zich niet zo verbazingwekkend was. Ik voelde dat God wel wat training kon gebruiken. De Goddelijke six-pack was herleid tot een one-pack. Desalniettemin, een Goddelijke one-pack. Ze keek Mij aan en met een mysterieuze blik keek Ik terug. Voor de gelegenheid had Ik Mijn baard geschoren, zo’n lange witte baard is nu eenmaal niet meer van deze tijd. Nee hoor, God gaat door het leven in jeans en t-shirt met een modieus getrimd stoppelbaardje.

Mijn blik deed zijn werk en ze trok mijn goddelijk lichaam tegen haar, aardse, goed gevormde, kortom menselijke lichaam aan. Het moet gezegd worden, Ik had over deze creatie goed nagedacht. Ze kuste Me, ze streelde Me, ze werd er langzaam maar zeker wild van. Hoe kon het ook anders, je duikt niet elke dag met de Heer, de Schepper het bed in, de koffer in of voor mijn part de keukentafel op. Ze slaakte een korte gil, het spel der liefde kon beginnen. Ik was een expert. Hoe kan het ook anders, ik had het allemaal zelf bedacht. Het duurde ook niet lang vooraleer ze kreunend Me dichterbij trok. Ik had het allemaal in de vingers, tong en andere actieve lichaamsdelen.

‘Och God,’ fluisterde ze in M’n oor.
‘Je zou eens moeten weten,’ dacht Ik bij Mezelf en grijnsde.

Nagenietend stak ze een sigaret op. Ik slofte naar de badkamer om wat fris water in mijn gezicht te gooien en eens na te denken waar ik me de komende dagen mee bezig kon houden. Het gaat ook allemaal zo vlug. Deze aardkloot ontworpen in 7 dagen, wie doet het me na? Terwijl ik de kraan dichtdraaide, dacht ik verder. Hoe zou het zijn met Joan Osbourne? Je weet wel, dat mens van ‘What if God was one of us?’. Elimineren die handel, een one-hit-wonder van maken, soms komt de Waarheid ook te dichtbij en maak Ik er korte metten mee.

‘Weet je, ik maak je ontbijt,’ ging Ik de slaapkamer terug binnen.
‘Verras me,’ plaagde ze.
‘Het wordt hemels,’ verzekerde ik haar.
Haar naakte lichaam verborgen onder een dun laagje stof, glimlachte ze goedkeurend.

Uiteraard!

Muze

I’ve been roaming around, always looking down on all I see…
Kings of Leon

 

‘Ga je weer op zwier?’
Mijn buurvrouw stapte net haar voordeur uit om de aardappelen af te gieten.
‘Ja,’ antwoordde ik kort, maar zelfvoldaan.
‘Dat moet ook allemaal gebeuren!’ Ze trok de voordeur achter haar dicht en ik zette mijn weg verder. Het kwam wel vaker voor dat ik dergelijke diepzinnige gesprekken voerde met mijn buurvrouw. Sinds ze dacht dat haar man overleden was, was ze dezelfde niet meer. Het viel me wel op dat onze gesprekken diepzinniger werden, naarmate ze meer gedronken had.

Alle wegen leiden naar Rome maar mijn wegen leiden naar het lokale park. Elke zich zelf respecterende gemeente, stad, dorp of boerengehucht moet een park hebben. Liefst eentje met een vijver en de daarbij horende eendjes. Ook W. had zo’n park, nooit gedacht dat mijn gemeente zichzelf zo respecterende. Het was een flink eind wandelen over schots en scheve voetpaden, kronkelende kasseipadjes en pas aangelegde busbanen. Het ijzeren hek dat het park scheidde van de buitenwereld had zijn beste tijd gehad: overal bladerde de zwarte verf af en staken groene mospartijen de kop op. De poort stond open, zoals ze altijd stond. Iedereen was welkom. Ik staarde ze aan terwijl ik door het ijzeren hek heen liep en vroeg me af of ik in deze omstandigheden mijn muze zou vinden. Arbeit macht frei, mijmerde ik in mezelf toen ik het park betrad. Dergelijke gedachten worden me nooit in dank ontnomen, toch kwel ik mezelf er mee.

Ik ging op een bankje zitten vlakbij het kronkelende pad dat was bezaaid met een groezelig zand. Het dorbruine pad was bezaaid met afgevallen bladeren, ook al was het lente. Vreemde gewaarwordingen. Ik haalde m’n tabak boven en rolde een sigaret. Alles wat je zelf doet, doe je beter. Ik had echter geen aansteker bij me en gooide de sigaret dan ook maar weg. Ik rook niet, dus het idee om ooit eens tabak te kopen, was een idiote gedachte. Een mens maakt wat mee in z’n leven. Zittend op het bankje vroeg ik me af of ik eigenlijk gelukkig was. Een gelukkige niet-roker, dat alleszins. Maar echt in wezen diep gelukkig. Ik vroeg het me werkelijk af. Wat is geluk trouwens? Toen was geluk nog heel gewoon, stamelde ik tegen mezelf maar wist niet wanneer ‘toen’ was en of het nu ook kon wezen. En of het überhaupt wel allemaal zo gewoon was. Niet-rokend staarde ik verder voor me uit. Mijn muze, dacht ik bij mezelf. Godverdomme, het is wat.

Ik had de woorden nog niet helemaal door mijn gedachten laten slingeren, of daar kwam ze. Zonder het te beseffen, zette ze de wereld heel eventjes stil. Argeloos, onbewust en stralend. De klok stopte met tikken. De vogeltjes floten niet meer, de eendjes stopten met kwaken. Godzijdank.

Het ritselen van de bladeren in de lentezon stopte. Muisstil. Had ik een speld bij gehad, ik liet ze vallen. Ik stond op en stapte op haar af. Haar blonde haren wapperden rond haar bleke gezicht. Ze stond muisstil, maar ze liep. Nergens beweging, nergens roering. Een blik in haar ogen die duizenden legers had kunnen omleggen, zo indringend, zo eenvoudig mooi. Door haar paarse trainingspak tekende zich een lichaam af dat als het ware door de heer onze schepper hemzelf was bedacht. De snoeper. Ik cirkelde rond haar en zag elke lijn in haar gezicht, elke welving op haar lichaam. Minutieus getekend, uitgegomd en hertekend om het plaatje nog perfecter te maken. Rode lippen als teken van passie, paarse training als symbool voor het onbereikbare. Lopen kan je tegenwoordig niet zonder muziek. Ook zij was hier geen uitzondering op. Ik vroeg me af welke klanken door haar oren speelden en legde mijn oor tegen de hare, in de hoop ook maar een deuntje op te vangen. Maar niets, complete stilte. Complete schoonheid in een oorverdovende stilte.

Ontroerd van het geheel, stapte ik, zonder haar uit het oog te verliezen, achterwaarts terug richting bankje. Ik ging zitten en als een druk op de play-knop, zette het leven zich weer in gang. Ze liep voorbij, zonder het innige moment dat we deelden ook maar te beseffen. Ze liep het park uit. Ik zag haar nog net in de verte. Haar blonde lokken schitterden in de vroege lentezon als het licht aan het eind van de tunnel. Een sprankeltje hoop.

‘Godverdomme,’ zei ik tegen mezelf, ‘dat een mens dat nog mag meemaken. Dat kom je ook niet alle dagen tegen.’ Ik haalde mijn tabak boven en rolde nog een sigaret. De zelfgerolde sigaret trok op geen kloten, maar ik stak ze toch tussen mijn lippen. Ik leunde achteruit en keek naar de helblauwe lucht. ‘Muze,’ fluisterde ik.
Ik gooide de sigaret bij de eerste, stond op en ging het park uit in de veronderstelling dat vandaag wel nog eens een aangename dag kon worden.

Nachtrust

‘Godverdomme’, vloekte ik luid, ‘wat trekt het toch allemaal op geen kloten!’ Ik stond op, zette de muziek net dat ietsje luider en ontkurkte een flesje Palm. Sponsoring in literatuur dient overwogen te worden. Palm, Ipod en Lays zorgden voor een aangename avond. Sponsoring dient serieus overwogen te worden. Daarnaast wordt herhaling als kunst vaak onderschat.
‘Godverdomme’, nogmaals, ‘op geen kloten!’ ‘Je valt in herhaling,’ verweet ik mezelf.

De luidere muziek en het gerstenat brachten echter geen soelaas. Schrijver wordt je niet van dag op dag: je bent er mee geboren en zelfs als je goed geoefend bent, ligt het gevaar van een dt-fout altijd op de loer, zoals ook aan het begin van deze zin.
Ik krabte in m’n haar, stond op en slenterde naar het toilet. ‘De patatjes afgieten,’ fluisterde ik tegen m’n kat. Het feit dat je tegen je huisdieren praat, is een teken van eenzaamheid, vertrouwde iemand me ooit toe. Hij is gestorven in zijn slaap, terwijl niemand een traan om zijn miezerige bestaan had gelaten. Geld maakt niet gelukkig, had hij me ook wijsgemaakt. Ik zei hem het mij allemaal te schenken. Hij grinnikte toen, maar gaf me geen cent. Geen wonder dat hij eenzaam en alleen stierf. Hypocriete, gierige zak. Van de doden niets dan lof! De heer zij geprezen.

Schrijven zou ik doen, als eeuwige therapie. Toch kreeg ik geen zinnig woord door mijn strot en ook niet op papier. Ik staarde naar mijn scherm en voelde mijn ogen rood worden. Arme verlegen oogjes van me, wat zijn ze zo schattig.
De laptop klapte toe en ik trok net op tijd mijn vingers van het toetsenbord. Tijd om te stoppen, zo bleek. Op tv zou er die avond ook niets te zien zijn. Het was namelijk dinsdagavond. Elk tv-minnend mens weet dat er dan geen reet te zien is. Net als elke andere dag.
Samen met mijn kat, zat ik in de zetel. Ik weigerde haar iets te zeggen, omdat ik weigerde toe te geven dat ik in feite diep van binnen heel eenzaam was. Het licht deed ik uit en bleef in het duister voor me uit staren. Crisis voor jan en alleman, ook voor de literairen van geest.
De stilte was oorverdovend en rechtop in mijn zetel bracht ik de nacht door. Hopend op een morgen zonder zorgen.

Iets na middernacht, schrok ik wakker van de aanhoudende stilte. Vreemd.
Ik zette dan toch nog de tv op, er van uitgaande als er niets te zien was op televisie, we dan nu toch het summum zouden bereiken.

Een zomers gekleede dame komt de keuken binnen. Ik kom te weten dat ze op zoek is naar ‘una escala’. De Spaanse prent ‘The Gardener’, bracht me vertier op dit nachtelijk uur.
De kerel in de keuken zegt haar dat in de berging wel iets te vinden is. Waar anders? Dit wordt een clichématige film, ik voel het nu al aankomen.
Gelukkig als ze is, neemt de dame met het donker krullend haar de escala en zet ze die tegen de mooi bebloemde gevel. In de afgesloten tuin, bloeien de mooiste bloemen die ik ooit in een Spaanstalige film zag. Vrouwen en ladders, het is ook een vreemde combinatie. En dat moet ook de kerel uit de keuken gedacht hebben, toen hij de Spaanse deerne de ladder op zag klimmen. Iets in zijn blik had me toen moeten zeggen wat ik al lang had moeten vermoedden. Dat en het feit dat zijn opengeritste gulp de dame met zaadvragende ogen en een wijdopengesperde mond de ladder deed afdalen. Porno.
En dat op dit uur, totaal onverantwoord! Ik zapte weg.

Buiten porno en eindeloze herhalingen van Het Journaal valt er op dit uur niets te beleven. De geile blik van Jan Becaus deed me terug indommelen. Aanslagen, bloed en verderf. Het werd een nachtrust als nooit tevoren.

Maandagmorgen

‘Hoe is het?’ vragen mensen me wel eens. ‘Goed,’ antwoord je dan meestal. Meestal, omdat dat het antwoord is dat de meesten verwachten. ‘Hoe is het’ draait niet om de inhoud van het antwoord op de vraag, maar is zo doorsnee als het ‘goedendag’ zeggen tegen de mensen. Beleefd, niet meer niet minder.
‘Hoe is het?’ vragen ze me dagelijks. ‘Goed,’ antwoord ik dan of ‘dat gaat’ als het echt niet anders kan. Maar nooit ‘slecht’. Misschien moet ik gewoon antwoorden zoals ik me voel. Ook al verwachten de mensen ‘goed’ als antwoord.
Hou er daarom rekening mee, als je mij vraagt hoe het met me gaat en ik antwoord goed, dat goed niet altijd goed is. Het kan ook die tegengestelde emotie zijn.
Maar dat zeg ik niet. Op een vraag als ‘hoe is het’, hoor je ‘goed’ te antwoorden.

Met deze filosofische gedachte in mijn achterhoofd stap ik zijn bureau binnen en ga zitten aan het tafeltje waar ik me elke maandagmorgen neerplant. ‘Hoe is het?’ vraagt hij. ‘Gaat wel,’ antwoord ik. De aard van mijn antwoord spreekt voor zich. Hij staat op, snuffelt aan zijn pols en komt mijn richting uitgewandeld. Het snuffelen aan zijn pols is iets wat de arme mens sinds jaar en dag doet. Niemand weet exact waarom. Hij maakt zijn uurwerk losser en beweegt zijn polsen richting zijn neusvleugels, waarna hij de zweem van werkmanszweet, dat zich achter zijn oude uurwerk heeft genesteld, inademt. Een ietwat vreemde gewaarwording moet dat zijn.
Hij schudt me net iets te overtuigd de hand. Overdrijving is niet goed op een maandagmorgen. ‘Goedemorgen Theobald,’ schud ik hem de hand. Hij wenste me hetzelfde, al doet hij dat met mijn naam als aanspreektitel. Wat me dunkt ook logisch is.

Theobald was een samentrekking van de twee Middelnederlandse namen Theofiel en Archibald. Zijn ouders hadden een vreemde voorliefde voor uiterst sexy naamgeving van hun kinderen. Zo noemt Theobalds zus Clothilde. Verder hoeft hier ook niet over uitgeweid te worden.
Om het allemaal makkelijk te houden, noemden we Theobald hier liever Yves. Dat ligt vlotter in de mond en gaf hem ook net dat ietsje meer elan.

Ik geeuwde opensmonds, omdat binnensmonds te veel kracht op mijn kaakspieren zet en ik dan enkel nog maar vreemdere bekken trek. Op dat vlak ben ik een echte boer en weiger ik mijn handen voor mijn mond te houden. Mijn wijsheidstanden waren voor de gelegenheid mooi gepoetst, dus ze mochten gezien worden. Zelden overleef ik heelhuids en goed gezond een maandagvoormiddag, zeker als deze na het weekend volgt. Dagen vol aangename rust, zonder verplichtingen, aangename deuntjes en overdreven drankgebruik, gevolgd door maandag. Maandag, de dag met slappe koffie, overbodige vergaderingen en polssnuffelende werkgevers. Ach, het zal me wat.

Tegen het moment dat de vergadering halverwege is, zit ik al lang in gedachten verzonken en maak ik aantekeningen op automatische piloot. Zo zal ik me in de loop van deze dag nog afvragen wat het getekende ventje met de pijl in de hand in verband brengt met de productcode TH162-400T21. Tijd brengt raad, zelfs op maandagmorgen.