Witte slipjes

Toen ze van haar fiets stapte, had ze mij haar slipje laten zien. Haar te korte roze rokje was speels omhoog gewaaid en ze streek het met haar linkerhand mooi glad langs haar billen. Het witte slipje was er eentje zoals meisjes van haar leeftijd horen te dragen. Ze was nog te jong om slipjes aan voorbijgangers te laten zien. Menig chauffeur zou ze die dag waarschijnlijk nog de kop gek maken, maar niet die van mij. Jeugdige onschuld moet onschuldig blijven. Ze was te jong voor de liefde, maar al veel te oud voor de poppen, als zou de kalverliefde haar best bevallen. Het was zo’n meisje dat Mieke of Maaike heette en bewust onbewust oudere mannen de kop gek kon maken. Wee het gebeente van hen die er op in zouden gaan. Onschuld verloren.

Later die dag zou ik in de file staan. Op de radio zong Siobhan van “Sweet Sarah was a fine Italian maiden, even finer with her knickers round her knees.” Ik glimlachte en zag hoe vogeltjes over de velden vlogen.

[youtube http://www.youtube.com/watch?v=r6kdvJxEBJQ]

Miserlou

Ze liep de straat over en kruiste zo mijn pad. Haar blik was even scherp als haar neus en ze had een zekere je-ne-sais-quoi over haar heen. Althans dat had ze zichzelf wijsgemaakt maar had ze nog niemand van kunnen overtuigen. Met een zelfzekere tred stak ze de straat over en ik had moeten remmen. Toen ze vlak voor mijn vertragende wagen kwam, keek ze op, recht in mijn ogen en glimlachte ze mysterieus. Althans dat was haar bedoeling, ze slaagde er maar weinig in. Haar haren waren blond, haar lippen rood. Ik had het zelf niet voorspelbaarder kunnen bedenken en daar liep ze, de imaginaire vamp te wezen die ze amper was.

Schrijver Dimitri Verhulst had dit moment van intens oogcontact meegemaakt in ‘Niets, niemand & redelijk stil’. Hij noemde de vrouw zijn ‘miserlou‘ en had er zijn leven lang achter gesmacht om ze dan nooit meer tegen te ontmoeten. Een brandend verlangen dat maar niet geblust kon worden. Eén moment oogcontact, een leven lang spijt. Ook al was onze ontmoeting gelijkaardig, nooit ofte nimmer zou zij mijn miserlou kunnen worden en dat wist zij ook. Ik had het haar verteld met mijn blik. Een fractie van een seconde keken we elkaar aan, maar ze moet het gevoeld hebben. Dit was het niet.

Ik gaf terug gas en reed haar leven uit. Zij stapte de wagen in en vertrok. Gescheiden wegen zoals het hoort, oogcontact zonder tristesse. Godzijdank.

Schrijver onwaardig

Ik had mezelf wijsgemaakt dat het dringend tijd werd nog eens iets te gaan schrijven. Je profileert je als mens die met woorden overweg kan maar maakt die illusie niet meer waar, had ik tegen mezelf gezegd. Dat ik de naam blogger of schrijver helemaal niet waardig was, foeterde ik nog. Ik boog toen neergeslagen m’n hoofd omdat ik wist dat ik gelijk had. Nederigheid door de woorden die maar niet kwamen en de aanblik van het lege blad. De knipperende cursor maakt geen lawaai maar elke knipper doet pijn aan mijn oren. Hij zegt me wat ik wel en niet kan. Maar vooral dat laatste. Knip. Knip. Knip. Vooral dat laatste.

Naast me vertelt Jake Bugg dat hij het allemaal al gezien had. Ik geloof hem helemaal niet. Je kan het nooit allemaal gezien hebben, toch niet in dit leven. Ik drink van mijn koffie en staar door het raam. Schrijven is an sich een eenzame bezigheid. Je bent alleen met de stem in je hoofd en observeert de dingen. Het is maar als je de dingen ziet die er niet zijn en de stem je hoofd vult met geroep, dat het blad zich vult. Knip. Knip. Knip. Maar niet vandaag.

Vandaag schijnt de zon en fluiten de vogeltjes. De dag is al perfect. Ik moet niet proberen hem nog perfecter te maken met woorden die toch niemand leest.

Evenwicht

Mijn evenwicht is verstoord. Op één been hinkel ik door de straten en hou me vast en dorpels en drempels. Van vensterbank tot vensterbank strompel ik, één oog open, het andere half dicht geknepen. Alles lijkt te kantelen en met mijn hoofd half schuin probeer ik Eustachius en consoorten te slim af te zijn.

Aarzelend, hinkend, slenterend huppel ik het park binnen en zie de blaadjes van de bomen neerdwarrelen. Ze volgen geen rechte lijn alsof het middelpunt van de aarde zich heeft verplaatst naar ergens weg van het epicentrum. Vogels vliegen in kronkels vooraleer ze aarzelend landen op de takken van bomen. Bloemen bloeien, al doen ze dat niet meer met de trefzekerheid die ze voordien hadden.

Ik probeer op mijn andere been te hoppen, sluit beide ogen en zoek de balans. Als ik mijn andere oog open doe en mijn oren dicht hou, is het beter. Alles lijkt zich te stabiliseren ook al is dat maar schone schijn. Een hond plast schuin tegen de poort van het stadspark. Roest niet recht door zee. De wolken schuiven schrijlings langs de zon.

Op een bank zit een oude man. Hij leunt op een wandelstok en heeft zijn grijsblauwe pet schuin op het hoofd. In zijn éne mondhoek rust een zelfgedraaide sigaret waar hij consequent aan lurkt. Adem in, rook uit. Hij zit rechtop maar voorovergebogen. Zijn gelaatstrekken verraden een leven. Hij staart me aan en moet zeker en vast denken dat ik een heel bizar figuur ben. Ik haal mijn ene vinger uit m’n oor, open de ogen en ga met beide voeten vast op de ondergrond staan. Hij kijkt naar boven en aanschouwt de blauwe lucht. Ik volg zijn voorbeeld. Hij kijkt me terug aan en lacht geheimzinnig. Levenslessen uit balans. Levenslessen in balans.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=gbEwHJX95QE]

Paashaas

Ik zou de paashaas willen vangen. Al jaren aan een stuk lijkt het mij een strak plan. Paashaas met pruimen. Lekker, lekker. Althans, in mijn gedachten. Het is nu wel zo dat ik al jaren niet meer op zondag werk, een gewoonte die niets met religie te maken heeft maar er wel in geworteld is en bijgevolg zo consequent mogelijk gevolgd wordt. Ah, neen, het mag niet. De zevende dag, rustdag. De zevende dag is ook een tv-programma, maar denken doe ik ook niet op zondag dus is het mij verder onbekend. Volgens mij is jagen werken en aangezien ik het niet van plan ben als hobby te beoefenen, vermijden we het maar. Ik denk trouwens dat ik niet de geschikte persoon ben een vuurwapen te hanteren.

Het is een spijtig feit dat Pasen nu eenmaal altijd op een zondag valt. Alhoewel, vorig jaar was het bijna anders. Op maandag. Al bleek ik me toen rijkelijk vergist te hebben.  Paasmaandag. Een vergissing als een ander, maar niet zonder gevolgen. Ik sprak verschillende konijnen aan en vroeg hen stuk voor stuk of zij de paashaas waren. Ze ontkenden. Terecht, want de paashaas is een haas en geen konijn. En dat zijn verschillen die er moeten zijn! Een haas heeft korte oren, een konijn lange. En een witte staart. Al kan het zijn dat ze dit beiden hebben en dit dus zodoende geen geldig criterium is voor het al dan niet bepalen of zo’n konijnebeest de paashaas is.

Daarnaast komt ook het probleem dat ik weinig weet heb hoe je zo’n beest hoort te vangen. Een wortel aan een lijntje lijkt me te banaal en hem lokken met de klokken lijkt me te ver gezocht. Bim bam Beieren, de klokken leggen eieren. BAM, de paashaas afgeknald. Het lijkt me niet eenvoudig, zelfs de gespecialiseerde literatuur biedt geen soelaas, noch biedt deze literatuur aangenaam tijdverdrijf. Gedoe allemaal.

De paashaas vangen zit er dus ook dit jaar weer niet in. Pasen valt alweer op zondag en tradities houden we in ere. Mogelijk proberen we het volgend jaar nog eens opnieuw. Als Pasen niet op een zondag valt, al valt dat nog af te wachten natuurlijk…

Mijn geluk

Ik loop door de lange, kale gang van het schoolgebouw. Er is een centrale hal waar de gangen zich per verdiep achter een reling verschuilen. De vergelijking met een gevangenis is overdreven, al klinkt de ruimte soms even hol. Op de metalen trappen klinken de stappen van mensen als donderslagen aan heldere hemel, maar nu is het stil. Het lijkt alsof ik de enige ben die hier rondwaart, ook al ben ik er zeker van dat dit niet zo is. Als ik over de reling kijk, huiver ik van de diepte. Elk moment verwacht ik een belsignaal als voorteken van een ongeziene drukte die deze gangen zal vullen. Het blijft uit.
Achter mij hoor ik voetstappen. Ik kijk pas achterom als ik een zachte vrouwenstem ‘he’ hoor roepen. Ze zegt ook mijn naam, maar die doet er nu niet toe. Ik glimlach als ze op mij afstapt.

“Ik zocht je al een tijdje, “zegt ze. Haar stem vult de lege gang met ongeziene schoonheid.” Zou jij voor mijn geluk willen zorgen?” vraagt ze en stopt me een zwart boek in de handen. “Of ik voor je geluk wil zorgen?” stamel ik. “Ja, mijn geluk, ik ben er zeker van dat jij het wil en ook kan.” Ik kijk verdwaasd naar het boek dat ze me gaf. Het is een zwart nota-schrift met harde kaft. Op de kaft staat met gouden letters ‘Mijn Geluk’ gedrukt. Ik kijk haar terug aan, dit keer recht in de ogen. ‘Mijn Geluk,” herhaalt ze, “het heeft lang genoeg geduurd. Ik wil dat jij er eindelijk het eerste hoodstuk in schrijft.” Luisterend blader ik door de blanco pagina’s van het schrift. Ik wou nog iets zeggen maar word onderbroken door een belsignaal dat simultaan alle gangen vult met mensen. Ze geeft me een kus op de wang en verdwijnt in de massa. Ik bekijk het boek terwijl iedereen langs me loopt. Als ik omkijk, is ze verdwenen. Mijn glimlach was klein, maar zeer intens.

Het belsignaal blijft weerklinken. Ik open mijn ogen en voel de zon prikken. Ik zucht en duw de wekker af. Slaapdronken gooi ik de lakens van me af en ga rechtop zitten. Het is stil in huis. Mijn kat komt goeiemorgen zeggen. Honger. “Mijn Geluk,” prevel ik terwijl ik recht sta, de trap afloop en me richting mijn boekenkast begeef. Mijn Geluk, het hoofdstuk dat ik nooit schreef in het boek dat ze me nooit gaf. Ik zucht diep terwijl een koude rilling over mijn ruggengraat loopt. De kat miauwt. Honger.

Ongelukkig slof ik naar de keuken, geef de kat eten en maak koffie die ik alleen zal uit drinken. Het is kil in huis en dat zal zo blijven.

Laatste lichting

Bad Religion overstemt het klokkengeluid dat ik in de achtergrond hoor. Het is een druilerige dag en Greg Gaffin zingt. ‘It felt like judgement, but it was only rain’. Zo voelt het ook vandaag. Ik sta pal voor de brievenbus. Rood en verweerd staat ze haar mannetje. Ze is de enige in het dorp, met laatste lichting om 16u15. Dat geeft me nog wat tijd. Ik ga er van uit dat de klok 10 slaat, al ben ik daar niet zeker van.
Nog iets meer dan 6 uur heb ik, om haar die brief te schrijven. Dat had ik ooit beloofd, maar het was er nooit van gekomen. De woorden en zinnen spelen door mijn hoofd, het briefpapier ligt in de schuif. Nog nooit hadden ze elkaar ontmoet. Ik voelde dat vandaag ook niet de ideale dag zou zijn. Op de verweerde brievenbus houdt een oud post-embleem stand. “Laatste lichting om 16u15,” stamel ik.
Het moet een vreemd zicht zijn, oog in oog met een brievenbus, maar het kan me vandaag niet schelen. Ik denk over hoe belofte schuld maakt en dat dit rood onding mijn schuld zou helpen afbetalen. Ze schreef die avond haar adres op een bierkaartje, ik heb het nog steeds in mijn binnenzak zitten. ‘Ik schrijf je, ouderwets, maar ik doe het. Beloofd!’ had ik haar gezegd. Ik moet leren mijn mond houden.
Het luiden van de klok is intussen opgehouden. Greg Gaffin zet een volgend nummer in. Ik besluit naar huis te gaan en haar niet te schrijven. Wat had het voor zin? Het is weekend en ik heb geen postzegels in huis. Laatste lichting om 16u15, maar niet vandaag.

Lust

Ze was mijn metgezellin op een avond die de onze had kunnen worden. We ontmoetten elkaar onder het oog van de maan. Beiden gehuld in eenzaamheid, verlekkerd op chateau’s en ik op haar. Ik keek haar donkere ogen aan en vroeg me af of zij ooit zou zien wat het zou kunnen worden. Onze toekomst door rood van wijn en zwart van verlangen. We praatten. Toen nog wel. Praten over vroeger en nu. Over onze toekomst, over de geur van haar parfum en de kleur van haar lippen.
Ze was mijn vleesgeworden ware. De fijne vleesware in mijn honger naar de hartstocht. De nacht zou raad brengen. De rokerige pianoriedeltjes in de loungebar van het hotel zouden mijn doel ondersteunen. Met haar zou ik de nacht doorbrengen. Althans, dat was het plan.
“Zo, ik ga slapen,” geeuwde ze toen ze haar lege wijnglas op de bar neerzette.

Boem, paukenslag. Het plan, de duigen.

“De liefde mislopen,” zuchtte ik, “je maakt het me moeilijk.”

“Het is niet de liefde, maar het leven dat het je moeilijk maakt,” grijnsde ze en vertrok.

“Met slechts één letter verschil, maakt de liefde het leven niet tot last.”

Ze keek om, een glimlach verscheen op haar lippen.
Ze aarzelde en ik wist dat ik deze nacht niet alleen zou zijn.

Out of bed

Ik stap de supermarkt binnen. Buiten is het een druilerige dag en die toon wordt binnen verder gezet. Ik ben hier maar voor één ding en de rest kan me gestolen worden. Rijen aan de kassa, monotoon gebiep op de achtergrond en achtergrondmuziek op de voorgrond. Mijn passage hier wou ik zo kort mogelijk houden. Ik stap op mijn doel af, de bakkerij. Vervolgens zet ik mijn weg verder langs de parfumerie en neem en passant nog een pot haargel mee. ‘Out of bed’-look, want die kan ik ’s morgens maar op deze manier evenaren: fris gewassen en met gel.

Diep van binnen zucht ik, maar ik schuif in alle stilte aan bij de veel te lange rij. ‘Jessica, kassa 3’, dat hadden ze net aangekondigd en hier zit ze. Voor mij staat een jongedame in een witte legging. De regen buiten deelt eveneens mee dat ze passend ondergoed draagt. Het flatteert haar geenszins, maar dat is ook niet de bedoeling van een legging. Ongeïnteresseerd zet ik de haargel op de transportband. Ik leg er het zakje met de twee krokante pistolets bij. Hier liggen ze boven in het schap en moet je ze zelf nemen. Niemand die je vriendelijk bedient en met een glimlach je dag verblijt. Druilerigheid troef.

Jessica heeft vandaag weer last van haar onderbeet. Dat had ze wel vaker, maar het miezerige weer deed haar duidelijk ook geen goed. Vier euro negenzeventig, deelt Jessica mee. Meer dan meedelen is het niet. Ik betaal met een briefje van vijf dat Jessica mooi in haar overvolle kassa propt. Ze duwt me het wisselgeld in mijn handen, samen met een veel te lang kassaticket. Nog voor ik ‘goeieavond’ kan zeggen, is ze al aan de volgende klant begonnen. Ik was bandwerk.

Teneergeslagen stap ik de winkel uit, de regen in. Ik kijk naar de plastiek zak met de pistolets. Droog blijven ze zo wel, maar smaken zullen ze mij niet. Zo’n dag was het en zal het ook blijven.

Voorbode

Ik stap langs de straten van mijn dorp. Het is nog vroeg op zondagochtend. Een man met handschoenen aan kruist mijn pad. Handschoenen, een muts, een sjaal. Hij is de voorbode van een nakende winter, dat kan niet anders. Zelf draag ik een hemd en een hoed. Warm genoeg. Dat bevestigt ook de thermometer bij de apotheker. Tien graden Celsius en daar mag je bij onze apotheek gerust twee volle graden bij doen. Nors klettert zijn aftandse fiets over de kasseien van ons dorpscentrum. Hij kijkt me aan, ik knik hem geen gedag. Dergelijke voorbodes zie ik liever nu nog niet. De klok slaat negen uur. Negen klokslagen lang verdwijnt hij uit het zicht, de straat uit, de hoek om. Koud en kil zet hij zijn aankondigingstocht verder. Koning winter staat voor de deur, de herfstbladeren sidderen. De zon houdt vol.
Ontredderd stap ik de bakkerij binnen en zie een rij warm aangekleden voor mij. Zij hadden de boodschap gesnapt, zij gaven toe.

“En voor u, hetzelfde?” lacht de bakkersvrouw mij toe als ik eindelijk aan de beurt ben.
“Ja, graag, 2 krokante pisolets,” bevestig ik, “daar beneden.”

Ze bukt zich en laat de temperatuur in de bakkerij enkele graden toenemen. De rij wachtenden achter mij krijgt het plots te warm. Ik betaal met het kleingeld dat ik nog in mijn broekzakken zitten heb en verdwijn, blij te weten dat voor de winter eerst nog de heerlijke herfst komt. Gelukkig maar.